Vanaf januari 2010 een vernieuwd energielabel

Het energielabel is sinds 2008 verplicht voor woningen en bedrijfsmatige gebouwen. Vanaf 1 januari 2010 is er een vernieuwd energielabel, ook wel het Energie Prestatie Advies (EPA) genoemd. Niet alleen is gedacht aan een nieuwe presentatie van het energielabel, maar ook aan het verbeteren van de (opname-)methodiek en het invoeren van het verplichte examen voor labelverstrekkers. www.energielabelgebouw.nl

Het energielabel in de EIA
Investeren in energiebesparing wordt investeren in fiscaal voordeel met de energie-investeringsaftrek regeling (EIA). Door de EIA wordt het investeren in de verduurzaming van bestaande utiliteitsgebouwen niet alleen beloond door een verlaging van de energienota, maar ook door een aantrekkelijk belastingvoordeel.

Wanneer gekozen wordt voor een maatregelenpakket dat leidt tot een energielabel welke ten minste twee stappen hoger is en/of een B-label bereikt, mogen alle investeringskosten in één keer opgegeven worden voor de EIA. Dit is inclusief de kosten voor het energie-advies. Voor de voorwaarden kunt u terecht op www.senternovem.nl/EIA

Voor meer informatie: j.eijsackers@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Stikstofdepositie en natura 2000

De toename van stikstofdepositie wordt steeds belangrijker bij projecten. Bij nieuwe of uitbreiding van bestaande bedrijvigheid dan wel bij nieuwe of uitbreiding van infrastructuur is uitstoot van stikstofoxiden aan de orde. Daar waar de achtergrondconcentraties al hoger zijn dan de kritische depositiewaarden voor aangewezen habitattypen in het betreffende Natura 2000 gebied is elke toename problematisch.

Stikstofoxiden slaan als stikstofverbindingen neer op de bodem. Door Peutz worden als onderdeel van Milieueffectrapportages, bestemmingsplannen en voor aanvragen voor vergunningen ingevolge de Natuurbeschermingswet onderzoeken uitgevoerd naar de hoogte en het invloedsgebied van de extra stikstofdepositie. Op basis van deze onderzoeken kan worden nagegaan of de gevolgen inderdaad significant zijn, waarna zo nodig maatregelen kunnen worden gedimensioneerd. Omdat niet in alle gevallen maatregelen toepasbaar zijn, wordt door het Ministerie van LNV een oplossingsrichting uitgewerkt om Nederland niet 'op slot te zetten'. Deze oplossing vertoont op onderdelen overeenkomsten met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Deze gekozen oplossing wordt vastgelegd in de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Voor meer informatie: h.huizer@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Ahoy krijgt een nieuw dak

De bouwwerkzaamheden voor de renovatie van Ahoy worden steeds meer zichtbaar. Ondanks de renovatie blijft het sportpaleis publiek ontvangen. Peutz adviseert Ahoy op het gebied van akoestiek, bouwfysica en brandveiligheid. Bij de renovatie krijgt de zaal een nieuw en hoger dak waardoor er grotere evenementen kunnen plaatsvinden.

Het oude, mede door Peutz geadviseerde dak was in de jaren 70 een zeer innovatieve lichte, geluidabsorberende constructie. Het nieuwe dak is een in het Peutz-laboratorium ontwikkelde lichte constructie met een voor het gewicht zeer hoge geluidisolatie. Daarmee wordt Ahoy geschikt gemaakt voor de nieuwe generatie popmuziek zonder dat de buren hinder ondervinden. Het dak heeft bovendien een sterk verbeterde geluidabsorptie ook voor de lage tonen. Daarmee wordt de akoestiek aangepast aan het brede frequentiespectrum van de hedendaagse geluidinstallaties. De akoestiek zal daarmee ook aan de eisen van een steeds kritischer publiek en internationale popartiesten kunnen voldoen.

Voor meer informatie: p.heringa@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Peutz geluid- en trillingsmonitoringsystemen

Vanuit de woonomgeving en de overheid bestaat een toenemende behoefte om meer inzicht te krijgen in de optredende geluidniveaus ten gevolge van bepaalde activiteiten. Steeds vaker wordt hiertoe bij vergunningverlening (met name voor evenementen) geluidmonitoring als voorschrift opgenomen. Door de uitgebreide expertise van Peutz kan in overleg met de betrokken partijen een geluidmonitoringsysteem worden gekozen dat gebruiksvriendelijk van opzet en doeltreffend is. In dit kader zijn door Peutz diverse monitoringsystemen op maat ontwikkeld.

Peutz monitoringsystemen onderscheiden zich van andere verkrijgbare systemen door de modulaire opbouw en de toegepaste hard- en softwarecombinatie. Hierdoor kan een Peutz monitoringsysteem worden toegesneden op de specifieke wensen van de gebruiker. Overbodige functionaliteit die zowel de gebruiksvriendelijkheid als de prijs niet ten goede komt blijft hierdoor achterwege.

Peutz monitoringsystemen worden onder andere toegepast bij de grote Nederlandse racecircuits, (indoor) muziekevenementen, overslagbedrijven en bouwprojecten.

Naast beheersing van het geluid naar de omgeving kunnen Peutz monitoringsystemen ook worden ingezet in het kader van beheersing van geluid en trillingen op de werkvloer, ter bescherming van kwetsbare (meet-)apparatuur en voor processturing.

Voor meer informatie: j.vanhees@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

MuzyQ geopend

In oktober 2009 is het muziekmakerscentrum MuzyQ te Amsterdam geopend. MuzyQ is een muziekverzamelgebouw met onder meer 74 verschillende oefenruimten, 2 auditoria, commerciële ruimten voor aan muziek gelieerde functies en in de toekomst een opnamestudio. Peutz heeft de initiatiefnemers geadviseerd hoe zij hun droom, een uitstekende akoestische omgeving voor repeterende musici, kon verwezenlijken.

Uitgangspunt voor de repetitieruimten waren de ideale verhoudingen van ruimte afmetingen voor verschillende doeleinden, een ruim volume voor een goede balans bij samenspel en het beperken van de luidheid. Midden in het gebouw is een op veren opgesteld try-out auditorium opgenomen. Een kleiner auditorium achter drie dubbel glas kijkt uit over de stad.

Samen met de helaas te vroeg overleden architect Paul Verhey en Jo Janssen architecten, en de constructeur ABT heeft Peutz een efficiënt en uitgekiend bouwkundig concept ontwikkeld. De financiële en bouwkundige haalbaarheid waren natuurlijk ook belangrijke aspecten. Het gebouw bestaat uit een betonnen skelet waarin door kalkzandsteenwanden gescheiden gipskartonnen dozen zijn opgenomen. Tussen deze dozen, en dus tussen de huurders, is daarmee een zeer hoge geluidisolatie gerealiseerd. De bouwkundige constructie is meteen de afwerking van de ruimten: beton en gipskarton in het zicht.

De gewenste ruimteakoestiek is verkregen met een modulair systeem van zelfdragende strekmetalen cassettes gevuld met een in het Peutz-laboratorium ontwikkeld pakket minerale wol en folies, waarmee een breed frequentiebereik gelijkmatig wordt gedempt.

Voor meer informatie: m.lautenbach@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Ruimtelijke ordening: Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen gewijzigd

Met het oog op de invoering van het Basisnet is per 1 januari 2010 de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen gewijzigd. De geldigheidsduur is verlengd tot 31 juli 2012. Met deze wijziging is juridisch vastgelegd welke risico's het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg en water mag veroorzaken. Het Basisnet spoor is nog niet geheel gereed, waardoor hier nog de gangbare toetsingswijze van kracht blijft.

Voor bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten dienen o.a. de risico's (plaatsgebonden risico en groepsrisico) van het vervoer van gevaarlijke stoffen in kaart te worden gebracht. In 2006 is door de Tweede Kamer de Nota vervoer gevaarlijke stoffen vastgesteld. Onderdeel hiervan is de vorming van een nationaal basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het doel van het Basisnet is het vastleggen en waarborgen van een duurzame balans tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor, weg en water, de ruimtelijke omgeving en veiligheid. De Basisnetten Weg en Water zijn inmiddels gereed.

De gewijzigde Circulaire, waarin het Basisnet Weg en Water is verankerd, geeft zogenaamde veiligheidsafstanden voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het water die gerespecteerd moeten worden. De veiligheidsafstanden zijn gebaseerd op de maximaal berekende plaatsgebonden risicocontour, uitgaande hoeveelheden gevaarlijke stoffen die in de toekomst over de Basisnetten Weg en Water in elk geval afgewikkeld kunnen worden.
Voor wegen en vaarwegen die deel uitmaken van het Basisnet kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Voor het Basisnet Weg gelden hiervoor de afstanden die in de Circulaire zijn opgenomen. Voor het Basisnet Water kunnen deze afstanden worden opgevraagd bij de Dienst Verkeer en Scheepvaart van Rijkswaterstaat. Voor groepsrisico berekeningen dient uitgegaan te worden van de uitgangspunten zoals deze zijn vastgelegd in de Circulaire.

De uiteindelijke verankering van het Basisnet in de regelgeving zal middels het Besluit transportroutes externe veiligheid plaatsvinden.

Voor meer informatie: c.dahrs@mook.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Lex silencio positivo gaat gelden voor 8.19-melding

Lex silencio positivo gaat gelden voor 8.19-melding Door het in werking treden van de Dienstenwet met ingang van 28 december 2009 geldt de “lex silencio positivo” (inwerkingtreding van rechtswege) voor 8.19-meldingen in het kader van de Wet milieubeheer. Dat betekent dat wanneer het bevoegd gezag niet binnen de termijn van acht weken een 8.19-melding accepteert of weigert, de melding van rechtswege is geaccepteerd.

Voor meer informatie: j.granneman@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Modernisering milieueffectrapportage

De Eerste Kamer heeft op 15 december 2009 een wetsvoorstel aangenomen dat voorziet in de modernisering van de m.e.r.-regelgeving. Doel van de modernisering is in hoofdzaak het terugdringen van de procedurele verplichtingen, het creëren van meer flexibiliteit en het vereenvoudigen van vooral de beginfase (startnotitie/richtlijnenfase).

In de huidige m.e.r.-regelgeving worden twee soorten procedures onderscheiden: plan-m.e.r. en besluit-m.e.r., de nieuwe regelgeving voorziet in drie procedures:

  1. plan-m.e.r.

  2. beperkte besluit-m.e.r.

  3. uitgebreide besluit-m.e.r.


De plan-m.e.r.-procedure verandert slechts marginaal. Wel wordt een toetsingsadvies over alle plan-m.e.r.’en verplicht. Volgens de huidige regelgeving is dit slechts verplicht voor plannen in de ecologische hoofdstructuur of plannen waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden. Anders dan in de huidige regelgeving wordt er bij een besluit-m.e.r. onderscheid gemaakt tussen een beperkte en een uitgebreide procedure. Welke procedure wordt gevolgd hangt af van het besluit dat wordt genomen. Voor beide besluit-m.e.r.-procedures geldt dat de startnotitie niet meer verplicht is, het bevoegde gezag geen richtlijnen meer vaststelt en er geen meest milieuvriendelijke alternatief meer hoeft te worden beschreven. Op 1 juli 2010 treedt het nieuwe wettelijk stelsel voor milieueffect-beoordeling in werking.

Op de website van de Commissie m.e.r. wordt nader ingegaan op de gevolgen van de modernisering en wet- en regelgeving.

Naast de modernisering van de m.e.r.-regelgeving speelt de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 ook een belangrijke rol. Daarin is uitgesproken dat Nederland de m.e.r.-beoordeling onjuist heeft geïnterpreteerd. Het Hof oordeelt dat Nederland ten onrechte drempels heeft vastgesteld die alleen rekening houden met de omvang van projecten en niet met andere relevante criteria uit bijlage III van de richtlijn (met name de kenmerken en de plaats van het project). Gevolg van deze uitspraak is dat de Nederlandse drempelwaarden niet altijd gehanteerd kunnen worden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft twee uitspraken1 gedaan waarin het arrest van het Europese Hof naar voren komt. In beide gevallen volgt de Afdeling het arrest van het Europese Hof. Bij het beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht dient niet alleen gekeken te worden naar de drempelwaarden in kolom 2 van bijlage D bij het Besluit-m.e.r. Ook moet worden gekeken naar de factoren die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. In de aan de orde zijnde gevallen wordt zeer snel geconcludeerd dat het in het onderhavige geval niet tot een m.e.r.-beoordelingsplicht leidt.
Het besluit-m.e.r. wordt zo snel mogelijk aangepast om de regelgeving in overeenstemming met de richtlijn te brengen. Naar verwachting zal het ontwerpbesluit binnenkort aan de Eerste en Tweede Kamer worden aangeboden en worden gepubliceerd in de Staatscourant. De inwerkingtreding wordt uiterlijk in het voorjaar van 2011 voorzien.

Op de website van infomil wordt nader ingegaan op de gevolgen van de uitspraak van het Europese Hof.

1 Uitspraak ABRvS 16 december 2009, in verband met een veehouderij in Uden
Uitspraak ABRvS 13 januari 2010, in verband met het bouwrijp maken van een deel van bedrijventerrein Schiphol Logistics

Voor meer informatie: k.vandernat@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief

Wvo ten onder met nieuwe Waterwet

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van een oppervlaktewater- en een grondwaterlichaam en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt alle bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland waaronder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).

De Waterwet is van toepassing op lozingen die direct op het oppervlaktewater of een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) plaatsvinden. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in een drietal lozingen, namelijk:

  1. Lozing van (alleen) hemelwater via een bedrijfsriool of lozing van hemelwater van een dak ('schone' lozingen).

  2. Lozing van hemelwater waarvoor in het Activiteitenbesluit algemene regels zijn opgenomen.

  3. Lozing van mogelijk verontreinigd hemelwater en afvalwater die (al dan niet via een zuiveringswerk) direct op het oppervlaktewater worden geloosd.

Ad 1
Voor deze lozingen is geen vergunning benodigd, danwel zijn geen standaard voorschriften van toepassing.

Ad 2
Lozingen die vallen onder het Activiteitenbesluit kennen standaard voorschriften. In hoofdstuk 3 en 4 van het Activiteitenbesluit worden de lozingen (en bijbehorende lozingseisen) genoemd voor bepaalde activiteiten, zoals het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, huishoudelijk afvalwater, koelwater, bronneringen, saneringen en op- en overslagplaatsen voor bulkgoederen. Op een zeer beperkte groep lozingen zal een individuele beschikking van toepassing blijven. Dat zijn onder andere lozingen vanuit IPPC-bedrijven en lozingen vanuit activiteiten die worden genoemd in bijlage 1 van het Activiteitenbesluit.

Ad 3
Voor lozingen die onder 3 vallen is een zogenaamde Watervergunning benodigd, waarbij de waterbeheerder bevoegd gezag is. Net als bij de Wet milieubeheer, geldt voor deze lozingen dat de openbare voorbereidingsprocedure doorlopen dient te worden, waarvoor een proceduretijd van 6 maanden van toepassing is.

Het kan dus voorkomen dat voor lozing van (afval)water van een bedrijf zowel een Watervergunning als milieuvoorschriften (in de Wm-vergunning) aan de orde zijn.

De voorschriften van de Wvo-vergunning voor indirecte lozingen worden van rechtswege Wm-voorschriften. De relevante dossiers worden door de waterbeheerder overgedragen aan het Wm-bevoegd gezag. Reeds voor 22 december 2009 opgestarte Wvo-procedures voor indirecte lozingen worden afgehandeld door de waterbeheerder. Procedures die na 22 december 2009 zijn opgestart lopen via de milieuvergunning.

Voor meer informatie: j.deklerk@zoetermeer.peutz.nl

Naar de nieuwsbrief
Rookwolk

Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP2)

Iedere Europese lidstaat moet volgens de “Kaderrichtlijn afvalstoffen” een beheerplan voor afval opstellen. Het Nederlandse Landelijk afvalbeheerplan (LAP) trad voor het eerst op 03-03-03 inwerking. De geldigheidsduur van dat plan was tot en met 2009. Het Landelijk afvalbeheerplan 2 (LAP2) is de opvolger en is in december 2009 in werking getreden met een geldigheidsduur tot 2014, met een doorkijk naar 2021. In het LAP wordt het algemene afvalbeheerbeleid aangegeven, met in een bijlage een uitwerking van dat beleid voor specifieke (categorieën van) afvalstoffen. Relatief nieuw in LAP2 is (de beleidsintentie van) het ketengericht afvalbeleid.

Opbouw LAP
Het LAP2 bestaat uit een beleidskader (hoofdlijnen afvalbeleid) en sectorplannen (uitwerking beleidskader voor specifieke afvalstoffen). Veel onderwerpen en structuren uit LAP1 komen ook terug in LAP2. De kern van ieder sectorplan is de minimumstandaard waarin wordt aangegeven op welke wijze een bepaalde afvalstroom verwerkt dient te worden.

Doelstellingen LAP2
De komende 12 jaar is preventie het speerpunt. In 2006 produceerde Nederland 60 Mton afval. In 2015 mag het afvalaanbod niet groter zijn dan 68 Mton en voor 2021 niet meer dan 73 Mton. Aldus wordt nog steeds een groei van respectievelijk 13% en 22% geaccepteerd (ondanks het speerpunt 'preventie'). Voor nuttige toepassing is de beleidsdoelstelling in de periode 2006-2015 een toename van 83% naar 85%. Voor bepaalde afvalstromen zijn subdoelstellingen gesteld:

  • huishoudelijk afval van 51% naar 60%;
  • handel, diensten en overheden-afval (“HDO”-afval) van 46% naar 60%;
  • gelijk houden van 95% van bouw- en sloopafval en 90% van industrieel afval.
    Het storten van brandbaar afval wordt gereduceerd van 1,7 Mton naar 0 Mton in 2021. Verder wordt uitgegaan van een afname van het stortaanbod van niet-brandbaar afval van 2,6 Mton naar 1,4 Mton in 2021 (geen doelstelling op zich).
  • Voor wie van toepassing?
    Conform artikel 10.14 van de Wet milieubeheer moeten alle overheden rekening houden met het LAP. Voor provincies, gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders is het LAP toetsingskader bij alle vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer waar afvalaspecten aan de orde zijn, dus bij afvalbeheerinrichtingen, maar ook bij bedrijven waar afval vrijkomt.

    Wat kunnen we wel en niet verwachten?

  • geen extra beleid voor nascheiding in deze planperiode;
  • geen belasting op verbranden omdat de voordelen (minder afvalstoffen worden verbrand en meer nuttig toegepast) niet opwegen tegen de nadelen (hogere kosten voor gemeenten die contractueel vaak vastliggen voor langere tijd; bovendien kunnen avi's zich volgens de nieuwe Kaderrichtlijn kwalificeren als installaties voor nuttige toepassing);
  • de nieuwe Kaderrichtlijn Afvalstoffen, zoals onlangs vastgesteld, dient door Nederland voor december 2010 in de Wet milieubeheer te zijn geïmplementeerd. Vervolgens dient het LAP hierop te worden aangepast (wel al anticiperen op deze komende wijziging).
  • Meer informatie vindt u op www.lap2.nl of m.pikaar@zoetermeer.peutz.nl

    Naar de nieuwsbrief