Nieuw wetsvoorstel luchtkwaliteit: de oplossing?
Ondanks dat de afgelopen jaren de luchtkwaliteit in Nederland verbeterd is, voldoet ons land op dit moment nog niet aan de normen zoals opgenomen in het Besluit luchtkwaliteit. Tal van nieuwbouwplannen liggen stil omdat ze niet voldoen aan de eisen. Ook de vervanging door het Besluit 2005 leidde niet tot het gewenste resultaat. Inmiddels is er door het kabinet een wetsvoorstel Luchtkwaliteit opgesteld dat op korte termijn naar de Tweede Kamer wordt gezonden. Kern van het wetsvoorstel is de ‘ programma aanpak’ en het begrip ‘in betekende mate’.
Programma-aanpak
Het wetsvoorstel stelt dat geen individuele bouwprojecten aan de normen voor luchtkwaliteit worden getoetst. In de plaats daarvan worden ze getoetst aan programma’s voor gebieden. In deze programma’s worden maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit én belangrijke ruimtelijke investeringen samengebracht. Voor de gebieden met de grootste luchtkwaliteitsproblemen of strategische nationale ruimtelijke doelen is er een nationaal programma: Het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit (NSL). Het nationale programma staat onder regie van het Rijk. Het Rijk neemt een reeks aan maatregelen om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Het kabinet kiest in de strijd tegen luchtvervuiling voor een viersporenaanpak:
- Maatregelen: Het kabinet wil onder andere roetfilters, biobrandstoffen en schoner openbaar vervoer stimuleren.
- Wet- en regelgeving: Maakt aftrek zeezout en saldering mogelijk en moet zorgen voor een soepelere afweging tussen ruimte en luchtkwaliteit.
- Internationale inzet: Nederland wil vooral strengere EU-normen voor de uitstoot van (vracht)auto's.
- Uitvoering: Overheden werken samen aan oplossingen voor bouwplannen en knelpunten.
Het begrip ‘in betekenende mate’
Het wetsvoorstel beperkt zich tot ruimtelijke projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de problemen met luchtkwaliteit. Nagegaan dient te worden of een voorgenomen project ‘in betekenende mate’ de grenswaarde (dreigt) te overschrijden. Draagt een project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor het project vanuit het aspect luchtkwaliteit. Dat geldt óók in overschrijdingssituaties. Projecten waarvan vooraf duidelijk is dat ze de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ verslechteren, hoeven dan niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. VROM zal het begrip ‘in betekenende mate’ zo concreet mogelijk uitwerken in een Algemene Maatregel van Bestuur en overweegt hierbij aan te sluiten bij de MER-criteria. Concrete grenzen kunnen in dat geval zijn de realisatie van bijvoorbeeld 2000 woningen.
Wordt vervolgd…
Naar de nieuwsbrief
IPPC-richtlijn geïmplementeerd in Wm en Wvo
In Nederland is de IPPC-richtlijn (Europese Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) in de Wet milieubeheer (Wm) en in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) geïmplementeerd. De IPPC-richtlijn verplicht de lidstaten van de EU om grote milieuvervuilende bedrijven te regulieren middels een integrale vergunning.
In Nederland gaat het om circa 2400 bedrijven (circa 1300 agrarische bedrijven en circa 1100 industriële bedrijven) die vóór 31 oktober 2007 een geactualiseerde vergunning moeten bezitten waarin invulling wordt gegeven aan de IPPC-richtlijn.
Het voormalige ALARA-beginsel (‘As Low As Reasonably Achievable’) van de Wet milieubeheer is hiermee vervangen door het begrip BBT (Best Beschikbare Technieken). Op installatieniveau moet worden nagegaan of de emissie voldoet aan de emissie van zogenaamde BBT-installaties. Deze emissiewaarden worden op bedrijfstakniveau bepaald. Hierbij vindt een integrale beoordeling van alle soorten emissies plaats en wordt het kostenaspect in aanmerking genomen.
Bij de beoordeling of installaties voldoen aan het BBT-criterium spelen de zogenaamde BREF-documenten (BBT-referentiedocumenten) een grote rol. Deze (veelal omvangrijke) documenten zijn via het internet te raadplegen. Bij de BREF’s wordt onderscheid gemaakt in horizontale en verticale BREF’s. De verticale BREF’s beschrijven per bedrijfstak de gehele installatie (van input tot output). In de horizontale BREF’s worden, ter ondersteuning van de verticale BREF’s, activiteiten beschreven die in verschillende bedrijfstakken van belang kunnen zijn (bijvoorbeeld koelsystemen, opslag van grondstoffen en dergelijke).
De BREF’s zijn overigens geen juridisch bindende normen maar bevatten referentiegegevens. De BREF’s vormen daarmee een hulpmiddel bij vergunningverlening.
Wat betekent deze ontwikkeling concreet? Overheden zullen actief de milieuvergunningen van de IPPC-bedrijven moeten actualiseren vóór 31 oktober 2007. Alle thans lopende vergunningaanvragen zullen reeds volgens het ‘nieuwe regime’ worden beoordeeld. Uiteraard zal dit ook consequenties kunnen hebben voor de betreffende bedrijven. De praktijk zal leren hoe invulling wordt gegeven aan het begrip BBT en hoe één en ander zich verhoudt tot het ALARA-beginsel, met name in situaties waarin aan gebruikelijke grenswaarden wordt voldaan.
Naar de nieuwsbrief
Interim-wet Stad en milieubenadering van kracht
De in februari in werking getreden Interim-wet Stad en milieubenadering beoogt ruimte te geven aan woningbouw op milieubelaste locaties. Het bedrijfsleven is beducht voor de risico’s van oprukkende woningen.
Als vervolg op de Experimentenwet Stad en Milieu, die per 1 januari 2004 is vervallen, verschaft de Interim-wet (Staatsblad 2006 37 en 38) dezelfde mogelijkheden voor woningbouw, maar dan voor alle gemeenten. De experimentenwet, toegepast door een gemaximeerd aantal van 25 gemeenten, kende 3 stappen:
- stap 1: adequate samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen milieu en ruimtelijke ordening;
- stap 2: optimaal gebruik maken van de ontheffingsmogelijkheden van de bestaande wetgeving;
- stap 3: afwijken van de wettelijke milieu-grenswaarden, echter pas nadat de eerste 2 stappen zijn doorlopen en geen optimale leefkwaliteit en doelmatig ruimtegebruik hebben opgeleverd. Wel moet bij er stap 3 compensatie worden geboden, bij voorkeur in het milieusegment waarin van de grenswaarde wordt afgeweken.
Stap 3 is slechts in 3 gevallen genomen, alle inzake het milieu-aspect geluid.
De Interim-wet kent dezelfde mogelijkheden en randvoorwaarden, en is ook uitsluitend gericht op de ontwikkeling van woningbouw.
Het bedrijfsleven is beducht voor de door de wet geboden mogelijkheid om woningbouw te laten oprukken naar bedrijven(terreinen), ook waar wettelijke grenswaarden dat verhinderen, met alle risico’s van dien. Voor bedrijven is van groot belang dat bij dergelijke ontwikkelingen hun rechtszekerheid en continuïteit worden gewaarborgd. Dan nog kan door klagende (nieuwe) bewoners politieke druk ontstaan om aanvullende milieumaatregelen te treffen dan wel af te zien van uitbreidingen van de bedrijfsactiviteiten. Alert reageren en het veilig stellen van de bedrijfsbelangen is dan ook essentieel.
In een amendement bij de wijziging van de Wet geluidhinder is ook deze mogelijkheid voor industrieterreinen geïntroduceerd. Aan de juridische toepassingsmogelijkheden wordt echter getwijfeld (zie hierover ook Peutz Actueel november 2005).
Naar de nieuwsbrief
Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit inzake geluidblootstelling
De wettelijke voorschriften betreffende geluid op de arbeidsplaats zijn wezenlijk gewijzigd door implementatie van de Europese richtlijn inzake blootstelling aan lawaai.
Het “Besluit van 25 januari 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit, houdende regels met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van lawaai” (zie Staatsblad 2006, nummer 56) is op 15 februari 2006 in werking getreden. Daarmee is de Europese richtlijn nr. 2003/10/EG (PbEG 2003, L 42) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
Ten opzichte van de voorgaande Europese richtlijn zijn de actiewaarde voor het geven van voorlichting en het verstrekken van gehoorbeschermingsmiddelen en de actiewaarde voor het nemen van maatregelen en de draagplicht van gehoorbeschermingsmiddelen met 5 dB aangescherpt, tot respectievelijk 80 en 85 dB(A).
De beoordeling van een werksituatie wordt in de nieuwe richtlijn uitsluitend gebaseerd op de dagelijkse blootstelling (dagdosis) van de werknemer. Dit is een wezenlijk verschil met de voorgaande Nederlandse wetgeving waarin de geluidsituatie werd beoordeeld op grond van het equivalente geluidniveau tijdens een bepaalde werkzaamheid, ook als die per dag korter duurde dan 8 uur. Met name in situaties met een voortdurend veranderende geluidblootstelling kan dit tot een minder strenge beoordeling leiden. Dit speelt bijvoorbeeld bij metaalconstructiebedrijven (met steeds wisselende gereedschappen en werkstukken) of controlerondes in de (petro-)chemie waarin men steeds op andere locaties met andere geluidniveaus verblijft.
Thans gelden de volgende grens- en actiewaarden:
- grenswaarden voor blootstelling 87 dB(A) en piekgeluiddruk 200 Pa;
- bovenste actiewaarde voor blootstelling 85 dB(A) en piekgeluiddruk 140 Pa;
- onderste actiewaarde voor blootstelling 80 dB(A) en piekgeluiddruk 112 Pa.
De grenswaarden mogen niet worden overschreden, hetgeen in principe een aanscherping betekent ten opzichte van de voorgaande wetgeving. Daarbij wordt echter wel rekening gehouden met de dempende werking van gehoorbeschermers. Dit laatste geldt niet bij de toepassing van de actiewaarden.
Bij overschrijding van de onderste actiewaarde worden individuele gehoorbeschermers ter beschikking gesteld. Bij overschrijding van de bovenste actiegrens:
- worden gehoorbeschermers verplicht gedragen;
- wordt een programma van maatregelen opgesteld ter reductie van de blootstelling;
- worden de gebieden waarin dit kan optreden afgebakend en de toegang daartoe zoveel mogelijk beperkt.
Indien werknemers per werkdag aan aanmerkelijk verschillende geluidniveaus worden blootgesteld, kan in plaats van de dagelijkse blootstelling de wekelijkse blootstelling aan lawaai worden gehanteerd.
Om de blootstelling voor personeel aan boord van zeegaande vaartuigen verplicht te beperken bij overschrijding van de grenswaarden (artikel 7 van de richtlijn) geldt voor de lidstaten een overgangstermijn tot 15 februari 2011.
Voor de muziek- en entertainmentsector dient een gedragscode opgesteld te worden met praktische richtsnoeren voor naleving van de wettelijke verplichtingen. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van een overgangsperiode tot 15 februari 2008.
Naar de nieuwsbrief
Nieuwe wetgeving inzake brandveiligheid; vernieuwd rekenprogramma
Per 1 september 2005 zijn het nieuwe Bouwbesluit en de nieuwe Regeling van kracht geworden. Voor het onderdeel WBDBO wordt daarin verwezen naar de nieuwe NEN 6068 (2004, inclusief wijzigingsblad 2005), zodat deze nieuwe versie van de norm gebruikt kan (en moet) worden om aan te tonen dat een nieuw gebouw voldoet aan de WBDBO eisen. Dit vereist aanpassingen aan het te gebruiken rekenprogramma.
Op dit moment is de nieuwe release van het PeutzData-rekenprogramma voor brandoverslag Pintegraal uitgekomen: V42.c. Met deze versie van Pintegraal kan optimaal gebruik worden gemaakt van de nieuwe mogelijkheden van de nieuwe norm, zoals niet-rechthoekige brandruimten, balkons, uitkragende gevels, gebouwkernen, wintertuinen enzovoort.
Ook is een NPR-tabel optie ingebouwd, waarmee zeer snel de weerstand tegen brandoverslag voor eenvoudige gebouwen kan worden bepaald. Dit vervangt het tabellenboek in NPR 6091 dat niet meer bruikbaar is vanwege wijzigingen in de norm.
Ten opzichte van de vorige release is de gebruiksinterface van Pintegraal - op verzoek van gebruikers - op een behoorlijk aantal punten verbeterd. Er zijn nu twee versies van Pintegraal beschikbaar: de ‘standaard’ versie voor normaal gebruik en de ‘professional’ versie voor intensieve gebruikers.
Met de standaard versie van Pintegraal kunnen maximaal tien brandruimten in een model worden gemaakt, terwijl in de professional versie een onbeperkt aantal brandruimten gebruikt kunnen worden. Met de standaard versie kunnen wel grote modellen worden ingelezen en aanvullende berekeningen worden uitgevoerd. Deze versie is daarmee bij uitstek geschikt voor ‘normaal’ gebruik, ook voor toetsende instanties zoals gemeente en brandweer. Beide versies van Pintegraal zijn geschikt om snel en betrouwbaar berekeningen volgens de oude en de nieuwe NEN 6068 te maken. Voor details verwijzen wij u naar de website www.peutzdata.nl.
Naar de nieuwsbrief
Tweede Coentunnel Amsterdam
De bestaande Coentunnel kan de verkeersdruk nauwelijks aan. Rijkswaterstaat wil daarom een tweede Coentunnel laten aanleggen naast de huidige Coentunnel. Deze nieuwe tunnelbuis zal in de ochtenduren zowel voor de noordelijke als de zuidelijke rijrichting worden gebruikt. De tegengestelde verkeersstromen zullen elkaar dan op korte afstand passeren.
Het gevaar bestaat dat uitlaatgassen uit de naastgelegen tunnelbuis door ingaand verkeer worden meegezogen. Door deze “kortsluiting” kunnen uitlaatgassen zich in de tunnel ophopen. Met een goed ontwerp van de tunnelportalen kan dit worden voorkomen.
Verschillende uitvoeringen van tunnelportalen zijn in opdracht van Rijkswaterstaat in de Peutz-windtunnel beproefd. Met tracergas is voor allerlei weersomstandigheden de mate van kortsluiting tussen de tunnelbuizen gemeten. Ook is het effect van mogelijke maatregelen onderzocht, zoals het aanbrengen van zogenaamde rookmuren tussen de tegengestelde verkeersstromen en het verlengen van de uitgaande tunnelbuis.
Door het onderzoek is inzicht ontstaan in de verschijnselen die de kortsluiting beperken of juist versterken. Met behulp van rook zijn ook de stromingen van uitlaatgassen tussen de tunnelbuizen voor Rijkswaterstaat zichtbaar gemaakt. De resultaten van het onderzoek worden gebruikt in de opdrachtomschrijving voor het ontwerp en de bouw van de tweede Coentunnel.
Historie
De Coentunnel (1966) onder het Noordzeekanaal in het westen van Amsterdam is 1283 meter lang. Daarvan is 587 meter overdekt, het overige deel is een open tunnelbak. De tunnel verbindt de Zaanstreek met Amsterdam-West. Het laagste deel van de tunnel bevindt zich op een diepte van 22 meter beneden NAP.
Naar de nieuwsbrief